Welkom bij Blogs websites. Dit is je eerste post. Wijzig of verwijder het, en dan ben je klaar om te beginnen met bloggen!
Zien en toch blind zijn
Nachtdieren leven in het donker. In de duisternis weten ze feilloos de weg. Het is buitengewoon interessant om dat leven in de nacht te zien. Een mens is vooral een schepsel dat houdt van het licht. Uitzonderingen daargelaten, kun je zeggen: wij leven overdag en wij slapen ‘s nachts. Wij houden van het licht. En niet van het donker. Hoe erg moet het zijn als je blind bent. Als je altijd moet leven in het donker.
Wat bedoelt de bijbel als er verschillende keren gesproken en geschreven wordt over leven in het licht en leven in de duisternis? Van gelovigen wordt gezegd dat zij door God getrokken zijn uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. De bijbel leert, dat een mens ook geestelijk blind kan zijn. Nog sterker, dat een mens geboren wordt als een mens die dat licht nog moet leren zien.
Wat is dan licht en wat is dan duisternis?
In de Bijbel is licht verbonden aan kennis. Een klein kind moet nog veel leren. Het weet van de wereld niets. Het kent ook God niet. Het is nog onwetend. Maar ‘licht’ betekent nog meer. Het wordt niet alleen verbonden aan kennis, maar vooral aan leven. En om alleen bij het kennen van God te blijven: als je God leert kennen, betekent dat: komen tot het Licht. Dat is: echt leren leven. Licht is het licht van het leven.
Een mooi voorbeeld vind ik dat van een puppy. Een jong hondje wordt blind geboren. Na ongeveer tien dagen gaan de ogen open. Zo zou je ook de gang van zaken bij een mens kunnen noemen. Je wordt blind geboren. Je kent de waarheid en het Licht niet. Je moet leren zien. Het verschil met die puppies is echter dat onze ogen niet automatisch opengaan. Een mens moet léren zien. Alléén God kan zijn ogen openen.
Gelukkig wil God dat graag. Als wij bidden om verlichte ogen, een verlicht hart (die uitdrukkingen kom je in de bijbel tegen), is dat een gebed waar God van houdt. Een melaatse vroeg aan Jezus of Hij hem beter wilde maken. En Jezus zei: ‘Ik wil het!’
Maar, het is wel even slikken. Het valt voor een mens niet mee om te accepteren, dat je zoals je geboren wordt niet het juiste (in)zicht hebt. Dat je eigenlijk wandelt in de duisternis en niet in het licht. Het is trouwens ook verhelderend, als je weet dat vele mensen ‘wandelen in de duisternis’ zonder dat ze het zelf weten. Pas dan begrijp je hun opmerkingen’ hun ‘visie’.
Ooit was er een profeet die in een benauwde situatie bad voor zijn knecht: ‘HERE, open zijn ogen’. Laten we dat gebed nooit verleren. Een gebed voor onszelf maar ook voor de ander. Je kunt namelijk zien en toch blind zijn.
Twee en een half jaar
‘Je moet er maar aan wennen’, zei Ees.
Ik had haar vanmorgen verteld van een overigens geweldig lieve brief uit Tasmanië. Ik heb al eerder geschreven, dat Nederland Zingt op Zondag een EO programma is, dat over de hele wereld wordt bekeken. Het programma behoort helaas niet tot de uitverkorenen van BVN (Beste van Nederland). Deze zender is over de hele wereld direct te ontvangen. NZOZ wordt doorgaans bekeken langs twee wegen: of via opnames, die door de mensen worden opgestuurd naar familie maar ook steeds meer omdat mensen via de computer de opnames bekijken.
Ik kreeg de brief omdat ik zaterdag jarig was geweest. ‘Hannie’ is kortgeleden vanuit Tasmanië naar Australië verhuisd om dichter bij haar kinderen te kunnen wonen. In 2007 heeft zij helaas haar man moeten verliezen. Twee en een half jaar nadat de ziekte was ontdekt. ‘He passed away in July 2007 and I miss him enormously. But we shall meet again some day. Then forever, what a wonderful future we have as God’s children.’
Een heerlijk getuigenis.
Daar wil ik overigens niet aan wennen. Ik zal er elke keer God om prijzen.
Maar wennen moet ik aan het feit, dat mensen schrijven over ziekte. Kort gezegd over de ziekte die ik zelf gehad heb. Er zijn veel mannen die te maken hebben (gehad) met prostaatkanker. En lang niet iedereen geneest. Ook de man van ‘Hannie’ niet. Twee en een half jaar nadat de behandeling begonnen was, overleed hij.
En zo krijg ik niet één brief, maar verschillende. Laatst was er een mevrouw die (ze had geaarzeld het te schrijven, maar deed het toch) meegemaakt heeft, dat haar man en vader en haar broers aan deze ziekte zijn overleden.
Ik moet eerlijk zeggen: dat doet me wel wat. Als ik een paar dagen vergeten ben dat het allemaal niet per definitie voorbij is, dan word ik er dan opnieuw zo aan herinnerd. ‘Arie, je kunt sterven.’ Niet iedereen wordt tachtig.
Gelukkig, dat ik er over kan praten. Ik vertel het ook aan Ees, als me dat bezig houdt. Vanmorgen vroeg ik aan Ees: ‘Waarom zouden de mensen dat toch schrijven?’ Haar antwoord kent u inmiddels. Ze zei er ook wat bij: ‘Hoe vaak hebben wij in het verleden dat zelf niet gedaan toen wij mensen bezochten. Het verhaal van die ander werd beantwoord met een ander verhaal. Over die en die, die het ook had gehad!’
Moeten de mensen dan maar zwijgen? Dat is helemaal erg. Als de mensen net doen alsof er helemaal niets aan de hand is. Zodat je een soort drager wordt van een groot geheim. Je denkt er zelf aan, maar de ander is het ‘vergeten’. Zoals zo vaak: ik moet maar naar Ees luisteren. Laten de mensen maar schrijven. Schrijven over wat hen op het hart ligt, wat hen bewogen heeft, de strijd die zij hebben gehad en nog hebben.
Laatst zei de huisarts overigens hetzelfde tegen mij. Ik was even bij hem voor een prik. Ik zei, dat ik hem nu wel vaker zag dan vroeger. Waarop hij zei, dat dat wel zo zou blijven…
Er is één nadeel als je met elkaar openhartig bent over wat je meemaakt, wat je mist, of waaraan je lijdt. Sommige mensen kunnen dat zo meewarig gaan kijken. Alsof je er al niet meer bent. Of je buiten sluiten omdat je dat toch niet meer zal aan kunnen, volgens hen. Er zijn genoeg mensen, zoals ik, die het gewoon heerlijk vinden om te blijven werken, en als het even kan om met alles mee te doen.
We moeten zelf maar aangeven, als het ons te veel wordt. En ondertussen in vertrouwen leven. ‘Bij de dag’ leerde mijn moeder. Want boven die ‘twee en half jaar‘ staat ‘mijn tijden zijn in Uw hand’.
Thuis maar ook in de kerk
Al vele jaren kijken en luisteren we naar twee zangprogramma’s op de televisie. Dat lijkt een hele verandering met vroeger. Maar dat is het niet. Het medium is veranderd, maar de inhoud niet.
Toen ik nog thuis was bij mijn ouders nam het zingen en luisteren naar geestelijke muziek ook al naast de kerkdiensten op de zondagen in ons gezin een grote plaats in. We hebben rondom het harmonium wat af gezongen. Hij stond in ons huis in de Landstraat rechts naast de schoorsteen.
We hebben verschillende ‘traporgels’gehad. Moeder speelde op cijferaccoorden. Mijn vader en mijn broer op noten, terwijl ik weer op klavarskribo speelde. We hadden allemaal ons eigen muziekschrift.
In de kerk zongen we uit de psalmen. Thuis was het vooral uit de bundel van Johannes de Heer. Later kwamen de boekjes van Glorieklokkken daarbij. Toen al zongen we thuis een lied dat nu vijftig jaar later bij het NZ publiek nog populair is: ‘Lichtstad met uw paar’len poorten’.
De platenspeler (grammafoon) kwam. Hij verdrong het harmonium niet, maar werd wel een geduchte concurrent. Zeker toen ik zelf getrouwd was. Thuis bij vader en moeder (ook bij mijn schoonouders) was je altijd met een hele club, maar toen in de pastorie eerst toch met zijn tweeën. Als we een avond de jeugd van de gemeente op bezoek hadden, werd er wel weer gezongen. Uit dezelfde bundels als vroeger. ‘Jeugd in actie’ kwam er bij.
We hebben nooit veel geluisterd naar geestelijke muziek op de radio. De EO had wel een uitzending op de zondagmorgen, maar dat was te vroeg. Ik luisterde er wel naar in de auto als ik uit preken ging. Op zulke zondagmorgens was je nog wel eens om acht uur al onderweg.
Na de platenspeler kwam de cd speler. En bij ons in de pastorie was er een piano in plaats van het orgel gekomen. Peter, onze oudste en Ellen, onze jongste, leerden pianospelen. Zo doende bleven we ook thuis zingen. Zeker op de zondagen als we bezoek hadden.



Het volgen van zangprogramma’s op de televisie is bij ons opgekomen toen de kinderen de deur uit waren. Tot die tijd keken we op zondag geen televisie. Dat was gemakkelijker dan elke zondag een discussie voeren over waar de kinderen wel en niet naar mochten kijken.
We hebben nu nog altijd een piano in de kamer staan. Maar op de zondag hebben ‘NZOZ’ en ‘Songs of Praise’ toch wel dat samen zingen verdrongen. Ees en ik luisteren, kijken en zingen mee. Bij ‘Songs of Praise’ gebruiken we pagina 888 om ook de Engelse tekst te kunnen mee-lezen of mee te kunnen zingen.
Eén ding is in ons leven enorm veranderd. Vroeger was er toch wel een enorm verschil tussen het repertoire, dat we thuis zongen en het repertoire in de kerk. Ook de manier kon sterk verschillen. In mijn jeugd zongen we in de kerk niet ritmisch. Op hele noten, zeg maar. Die tegenstelling is voorbij. Wat wij thuis zingen, wat we voor radio en televisie horen/zien, zingen we in onze gemeente ook in de kerkdiensten. Daar ben ik dol blij mee. We zingen echt uit allerlei bundels. Vandaag zongen we naast de psalmen, ook uit Zingend Gezegend, en uit Opwekking.
Toch verdwijnen de psalmen in onze gemeente en thuis niet. Verre van dat. Het valt mij op, dat de psalmen bij de jeugd weer een grotere plek krijgen. Wel psalmen in allerlei berijmingen en in allerlei muziekstijlen. We zingen de oude berijming maar ook uit de nieuwe berijming. ‘Psalmen voor nu’ kennen wij ook. Onze dochter Ellen schrijft psalmen voor jonge kinderen. In de komende dagen komt er een nieuwe CD van haar en het koor De Bromvlieg uit: Pzzzalmen 4 kidzzz 2. Die liedjes zingen we ook in onze kerkdiensten.
Veranderd is ook de manier van zingen. Thuis ging dat vroeger uitbundiger dan in de kerk. Het maakt mij niet meer uit. Het geweldige van deze tijd, is dat je in de kerk ook durft te dóén wat je zingt, zoals knielen, de handen omhoog heffen, klappen, de handen vouwen… Juichen maar ook klagen (wat kan dat prachtig met een elektrische gitaar). Alle muziekinstrumenten worden gebruikt. Zondagen worden zo heerlijke dagen: thuis maar ook in de kerk.
Goedertierenheid
Lianne van Dijken is mijn gaste in de uitzending van vandaag in NZOZ. Enkele maanden geleden schreef zij mij. Ze vroeg mij of het niet mogelijk was om aandacht te besteden aan het 60 jarig huwelijk van haar grootouders. Haar grootouders hebben heel veel voor haar betekend. Vooral in de tijd toen haar ouders gingen scheiden. Ze was vreselijk teleurgesteld in haar vader, die haar moeder en de kinderen verliet. Haar grootouders waren er in die tijd altijd voor hen geweest. Van opa en oma heeft ze wél geleerd wat liefde en trouw is.
Goedertierenheid
Het woord wordt in het hedendaagse Nederlands niet meer gebruikt. Het is een woord, dat je wel in de kerk tegenkomt. Vooral in die gemeenten waar nog de oude psalmen worden gezongen. De opa en oma van Lianne houden van die psalmen. Helemaal van psalm 103. In die psalm komt het woord goedertierenheid voor. Eén van de verzen eindigt met: de HEER is groot van goedertierenheid. Maar wat betekent het nu? Goedertierenheid is blijkbaar bij God veel te vinden.
Ik heb de betekenis van dat woord altijd onthouden door een voorbeeld, dat iemand mij ooit leerde. Het Hebreeuwse woord voor ooievaar is chasieda. De ooievaar heeft die naam gekregen omdat hij heel trouw en behoorlijk lang voor zijn jongen zorgt. Heel anders dan bijvoorbeeld de struisvogel. In het boek Job lees je: ‘het struisvogelvrouwtje staat vrolijk te klapwieken, maar met haar slagpennen en veren is zij nog geen ooievaar. Ze legt haar eieren op de grond. Ze vergeet dat een voet het kan breken’.
Hoe anders is de ooievaar met haar nest hoog in de bomen, of zoals bij ons op een paal. Weken lang vliegen de ouders met voedsel af en aan. De jongen zijn vaak al zo groot dat je hen op het nest ziet wachten.
De ‘chasieda’, de trouwe vogel, die dagelijks ook die trouw laat zien. Dat is goedertierenheid. Want het woord ooievaar is daarvan afgeleid. Het is geen theoretische trouw, maar trouw die blijkt!
In Psalm 103 staan heel veel uitdrukkingen, die met die houding van God te maken hebben: God bewijst aan de mens Zijn weldaden. Hij kroont ons met trouw en liefde. Hij is trouw aan wie Hem vrezen. Geen wonder dat Hij met een vader vergeleken wordt.
Maar
Als je dat (trouw zijn, goedertieren zijn) in je leven van je vader niet hebt geleerd?
Dan, zo hoor je van velen, kan die visie op God moeilijk zijn. Voor Lianne echter niet. Wat zij niet leerde van haar vader, leerde zij van haar grootouders. Ze is er dankbaar voor.
Psalm 103
Net als David
Zondagmorgen moest onze oudste zoon Peter spreken in de ochtenddiensten. Hij had, zo wist ik, geen gemakkelijk onderwerp. We hadden het er op de avond daarvoor tijdens een verjaardag al even over gehad. Aan de beurt was namelijk Marcus 10. Aan Jezus wordt daar door schriftgeleerden een buitengewoon moeilijke vraag gesteld: ‘Mag een man zijn vrouw verstoten?’
Wij zouden het wellicht zo niet meer vragen. Een vrouw kan immers in onze tijd ook haar man verlaten. Maar dat daar gelaten, was het onderwerp die morgen buiten gewoon actueel. Verschillende gezinnen in de gemeente hebben daar mee te maken. Groot verdriet voor de betrokkenen maar ook velen om hen heen. Ook wij kennen dat verdriet.
Het kwam allemaal dus heel dichtbij. Ik heb zitten huilen. Helemaal toen Peter na aan het eind van de gebeden achter de piano had plaats genomen en een prachtig lied zong. Hij doet dat vaker. Het geeft aan zijn woorden een geweldige kracht.
Met een behuild gezicht liepen Ees en ik de kerk uit. En, we waren niet de enige. Ik heb met één van die mensen in de zaal gebeden. Wat wordt er gevochten. Wat is er een verdriet. Mensen gaan niet zo maar scheiden. Mensen kennen, ook als ze met elkaar trouwen elkaar blijkbaar toch niet goed genoeg. Ooit was je op elkaar verliefd. Je zei van harte ja. En waarom werd dat anders. Veranderde je zelf? Of kende je elkaar toch niet goed genoeg?
……………………..
Mensen kunnen geweldige veranderingen meemaken. Gisteren kwam ik daar een heel bijzonder voorbeeld van tegen. Als je met hem in gesprek gaat, is hij precies dezelfde als vroeger. Maar ik schrok wel toen hij voor mij de deur open deed en mij hartelijk uitnodigde om binnen te komen. Voor mij ging een man naar binnen die grote moeite had met lopen.
De veranderingen begonnen vijf jaar geleden met een dramatische medische fout. Een betrekkelijk kleine operatie eindigde in een nachtmerrie. Otto lag vijftig dagen in coma. Toen hij daar uitkwam was hij van top tot teen verlamd. Een zware periode van revalidatie volgde. Verschillende operaties volgden. Tijdens de revalidatie brak hij zijn benen en heup. Maar Otto de Bruijne vocht door.
Otto loopt weer. Vraag niet hoe, maar het gaat. Zonder krukken, en helemaal zelf. Ik trok een dag met Otto op. Hij is begonnen, zoals hij zelf zegt aan zijn derde leven. Een dynamische man. Misschien iets rustiger dan vroeger. Ook zijn stem heeft geleden. Op onverwachte momenten schraapt hij met een enorm geluid zijn keel en gaat onverdroten weer verder.
Otto is niet uiterlijk, wel innerlijk dezelfde. Ook van voor zijn ziekteperiode weten we, dat hij een kunstenaar is. Hij heeft gisteren piano voor mij gespeeld, zijn schilderijen laten zien. Na zijn ziekte schreef hij negentien boekjes.
We keken gisteren samen terug. We maakten een tocht naar Kootwijk. En hielpen elkaar de uitkijktoren op van het Kootwijkerzand.
Staande voor een van zijn schilderijen, wees hij me op een gebarsten aarden kruik. Door de grote barsten, zie je het goud in de kruik. Volgens zijn vrouw is dat Otto nu: Een gebarsten aarden kruik maar met goud van binnen.
………………………………..
Drie van onze kleinkinderen kwamen deze week bij ons eten. We hadden het over de musical ‘David, een herdersjongen wordt koning’. Onze dochter Ellen heeft deze musical geschreven.
Haar kinderkoor De Bromvlieg speelt, zingt en danst op 6 februari de musical. De musical wordt gehouden in De theaterzaal van De Buitensoos in Zwolle. Er zijn twee voorstellingen, één in de middag, om 14.00 uur en één in de avond om 18.30 uur.
Ik vroeg aan mijn kleinkinderen welke rol zij gaan spelen. Joram vertelde dat hij Abisaï mag zijn. Abisaï is in de bijbel de broer van Joab. En Joab was weer de generaal van David. Je moet het maar weten. Dat ondervonden ook de studenten van de studenten van de CIBAP, de vakschool voor verbeelding. Zij hebben het geweldige decor gemaakt. Onder andere een afbeelding van de ark. Ook dáár moest de bijbel voor worden opengeslagen. De meeste studenten kenden alleen de ark van Noach. En dat is een heel andere dan de ark die een grote rol speelt in het leven van David.
Ook aan Tamar, één van de jongste kleinkinderen vroeg ik welke rol zij ging spelen. Met een stralend gezicht vertelde zij dat zij een schaap zal zijn. Volgens mij was zij dat in een vorige musical ook al.
Ik ben een schaap.
En ze is er gelukkig mee.
Trouwens: Zou u graag deze musical bezoeken maar heeft u daar niet de middelen voor? De Christelijke Gereformeerde Kerk van Zwolle heeft 100 VIP kaartjes gekocht (toegang + consumptie) om weg te geven aan die mensen die zelf geen kaartje kunnen betalen. Neemt u contact met ons op via: info@debromvlieg.nl. De kaartjes kosten 7,50 euro.
Zo beleef je van alles.
Blijde en droeve dingen.
Net als David.
Het gebedsdoosje
Leven met kanker
Velen hebben daar mee te maken. Gisterenavond en vanmorgen kreeg ik mail terug van twee vrienden, die daar elke dag mee te maken hebben.
De eerste schreef mij in december dit:
Enkele weken geleden ben ik voor een chemokuur opgenomen in het VU-ziekenhuis. De kuur heb ik zeer goed doorstaan. Ik heb geen dag op bed geleden; geen koorts gehad. Daar putten wij moed uit. Echter, na een tweede beenmergpunctie bleek dat de chemokuur niet (voldoende) is aangeslagen. Een andere chemokuur is niet meer mogelijk.
Met andere woorden: ik ben uitbehandeld !
Een verpletterende en verbijsterende boodschap.
Tóch zijn wij vol moed en vertrouwen. Vaak denk ik aan het woord van Paulus: om raad verlegen, maar niet radeloos. Ik ben bijzonder dankbaar dat ik me nog steeds goed voel. In deze fase van bereidt Uw huis, heb ik de kracht om allerlei zaken te doen en te regelen.
Gisterenavond schreef hij mij dit:
Héél hartelijk dank voor je mail. Om met de deur in huis te vallen: er voltrekt zich een wonder ! Midden December herstelden de bloedwaarden zich en zijn sindsdien uiterst stabiel. Uit onderzoek is gebleken dat ik zelf zoveel goede cellen aanmaak, dat de kwade cellen geen kans krijgen zich te ontwikkelen of te vermenigvuldigen, zei de arts.
Ik voel me bijzonder goed en actief als immer. Ik heb het gevoel dat ik weer helemaal in de running ben. Ik ben diep dankbaar.
We leven van de verwondering. Iedere dag ervaren we als een toegift. Ik weet ook dat de situatie snel kan veranderen. Maar we leven bij de dag, zoals de Bijbel ons voorschrijft. Daar wordt nooit gesproken over jaren, maar over dagen.
Het Gezang leerde het ons ook: Voor elke dag mij hier gegeven……….
Vanmorgen kreeg ik van een vriendin deze mail:
Ik merk dat de zes jaar, waarin ik nu met de verschillende vormen van kanker, operaties, behandelingen, bijwerkingen bezig ben, mij zwaar gaan vallen. Het is zo’n enorme klus………. niet alleen voor mij, maar voor ons hele gezin.
Het klinkt misschien gek, maar de meest gestelde en eenvoudige vraag: Hoe gaat het? vind ik inmiddels de moeilijkste vraag geworden. Wat moet ik zeggen? Gelukkig houden jullie mij vast met jullie liefde, humor, verhalen en gebeden en daar zijn wij heel blij mee want ik kan het niet alleen.
Afgelopen maandag 25 januari is de eerste bestraling geweest. In ons gesprek met de arts had hij ons er nadrukkelijk op gewezen dat het lichamelijk zwaar zal worden voor mij. Hoe zwaar dat zal de tijd ons moeten leren. Maar het bracht mij wel voor het dilemma: Hoe kan ik me hier enigszins op voorbereiden? Het lijkt mij zo zinloos als ik mij in mijn ziek zijn ga verliezen. Hoe kan ik op de één of andere manier toch mijn tijd invullen zonder in die put van ziek zijn af te glijden?
Heel bijzondere berichten, of niet?!
Samen met haar en anderen ben ik nu bezig om, als daar behoefte aan blijkt te zijn, bemoedigingsdagen te organiseren voor mensen en familie, die te maken hebben met kanker. Het worden geen treurige dagen, maar we willen elkaar juist helpen om te leven. Om ook nu van het leven te genieten.
We zijn op zoek naar sponsors. Want er zijn mensen die door ziekte het een en ander niet meer kunnen betalen. Onze ziekenhuizen zijn geweldig. Vele doktoren en verplegend personeel staan om ons heen. Maar op een dag ben je uitbehandeld. Wat overblijven zijn de controles. Elke keer weer spannend. Maar hoe kan je in die tussen tijd leven, ja zelfs van het leven genieten! Daarin willen we elkaar helpen.
Een ding is zeker: we kunnen voor elkaar bidden. Contact met elkaar houden. Elkaar bemoedigen.
Mijn vriendin reikte me een opvallend middel toe: het gebedsdoosje. Ze kreeg het twee jaar geleden van een Palestijnse familie. Het is een prachtige doosje en staat inmiddels op haar bureau met daarin al aardig wat gebedsonderwerpen. Iedere bestralingsdag wil zij een onderwerp/nood uit het doosje halen waar zij dan die dag voor wil bidden. Op deze wijze wil zij heel bewust haar eigen lijden verbreden met het lijden wat ook anderen doormaken en de wereld om haar heen.
Leven met kanker. En toch niet leven voor je zelf.
Een glimp van God
Peter Roelofsma, de gast van NZOZ (24/1) is al heel zijn leven op zoek naar God. Als puber gleed hij ‘s zondagmorgens stiekem zijn bed uit om naar de kerk te gaan. Pas vele jaren later ging zijn diepe wens in vervulling. Inmiddels was Peter een befaamd wetenschapper geworden.
Een donker visioen was het begin. Hij droomde, dat hij in de hel was. Peter, hij is psycholoog, kwam er met al zijn wetenschap niet uit.
Na twee moeilijke en donkere jaren vond hij God. Hij was in Leeds, voor de uitreiking van een nieuwe award. Hij ging op de campus een kerk in en hem overkwam, onder het zingen, een groot, helder licht. ‘Amazing Grace… that saved a wretch like me’! Hij een wrak? In Gods ogen was hij geen succes geweest, tot dit moment! Hij beleed alles. Na afloop kwamen twee mensen op hem af, die hadden gezien, dat Gods licht op hem was gevallen.
Vandaag is Peter mijn gast
Een glimp van God
Ooit sprak Job daar ook over. De vrome Job. Job was ook naar Gods oordeel rechtschapen en onberispelijk. Een man met ontzag voor God. Een man om jaloers op te zijn. Daarom is het opmerkelijk wat Job zelf van zijn geloof zegt. Ook zijn geloof kende een ontwikkeling. Van horen naar zien.
In zijn ellende roept Job God ter verantwoording. En dan gaat God spreken en wijst Job terecht. Beseft Job wel wie God is? In een lang gesprek wijst God Job naar het gebeuren in de natuur. En daarin de vele goddelijke werken, die getuigen van Zijn wijsheid, maar ook Zijn goedheid en Zijn zorg voor de schepsels.
Dan vallen bij Job de schellen van de ogen. Eerder had hij tegenover zijn vrienden over God geklaagd: ’Hij gaat aan mij voorbij en ik zie Hem niet’(9:11). Maar nu zegt hij:‘Eerder heb ik slechts over U gehoord, maar nu heb ik U met eigen ogen aanschouwd’ (42:5).
Niemand van ons kan God zien zoals Hij in werkelijkheid is. Maar de bijbel vertelt wel van mensen die een glimp van God mogen ontvangen. Noach wandelde met God. Mozes zag God van achteren. Job ontdekte Hem in de natuur. Elia ontmoette God in het ruisen van een zachte wind.
God ‘zien’ kan op vele manieren. Niet met gewone ogen, maar wel met de ogen van ons hart. Het is allerminst een voorwaarde om een kind van God te zijn. Maar wie zou ook niet mogen verlangen naar de hoogtepunten van het geloof? Paulus zegt: wij aanschouwen de luister van de Heer (2 Kor.3:16).
Bid en maak over
Ik heb deze dagen nog wel eens teruggedacht aan mijn medewerking aan Moraalridders van dinsdag j.l. Andries en Tijs hadden mij uitgenodigd om te komen praten over het gebeuren in Haïti en ons christelijk geloof. Het gesprek was fijn. Ook al weet ik lang niet alle antwoorden, iedereen mag mij bevragen over mijn geloof. Maar ik had nog zoveel meer willen zeggen. Maar zeker wanneer twee van die mannen de ene vraag na de andere op je afvuren kun je zelf zo’n gesprek nauwelijks sturen.
Andries en Tijs vuurden een leger van vragen op mij af. Ze hadden de taken duidelijk verdeeld. Andries vertolkte wat er bij gelovigen aan vragen leeft en Tijs verwoordde de vragen van ongelovigen.
Veel had ik mij niet kunnen voorbereiden. Er gebeurde die dinsdag (zie vorige blog) van alles. Ik had daar trouwens ook geen behoefte aan. Er zijn genoeg boekjes verschenen over God en het probleem van het lijden. Die boekjes kennen Andries en Tijs net zo goed, misschien wel beter dan ik.
Er zijn vele antwoorden.
Maar soms is het beter te zwijgen.
Vandaag, toen ik deze dag begon, moest ik denken aan psalm 88. Je zou kunnen zeggen: de meest sombere psalm die er in het boek van de psalmen te vinden is. Het slot is heel bizar. Daar staat: mijn enige metgezel is de duisternis.
Schrijnend, en ook kwetsend was het commentaar van Youp van ‘t Hek in de Volkskrant. Hij nodigde de mensen in Haïti uit om de puinhopen God maar te vervloeken. ‘Of gaan we in onze gebeden gewoon keihard schelden en vloeken op de ontoerekeningsvatbare schepper? Ik zou als gelovige het laatste doen. En als gelovige Haïtiaan helemaal.’ U mag het gerust weten: ik was boos op die man.
Toe ik vandaag die psalm las, zakte die boosheid. Niet dat ik de woorden van deze man nu goed vind. Ik blijf het kwetsend vinden. Het geeft ook geen pas zoiets aan te raden aan mensen die keer op keer voor de televisie van hun geloof in God getuigen. Als ik mensen in rouw aantref, en zij stellen hun hoop op iets dat ik niet deel, zal ik daar uit respect niets van zeggen. Dat gesprek komt wellicht later wel. Het is nu eerst de tijd om te zwijgen, om te luisteren.
Maar die psalm 88 wil ik wel aan Youp van ‘t Hek aanreiken. Als een voorbeeld van hoe wij als gelovigen ook met leed kunnen en mogen omgaan. Deze psalm vol met vragen is nooit gecensureerd. Het is juist in donkere dagen gelezen.
Ik las van een voorganger in London. De stad was getroffen door een enorme ramp. Allerlei mensen liepen schreeuwend door de straten dat God een plaag gezonden had naar de stad.
John Donne, pastor van de St.Paul’s Cathedral raadde zijn gemeente aan psalm 88 te lezen.
Psalm 88 staat voor vele psalmen. Ze hebben geen pasklare antwoorden. Ze hebben vele vragen aan God. Maar vervloeken doen zij Hem niet. Ze schreeuwen tot God. Lees dat boek van de psalmen maar nog eens. Juist nu.
En ondertussen brengen wij vandaag ons offer. Ik heb mijn geld overgemaakt op giro 300300 van EO Metterdaad. Lang niet alle christelijke organisaties delen namelijk mee in de opbrengst van giro 555. Ook dat is natuurlijk een goed adres. Maar EO Metterdaad heeft via bijvoorbeeld Woord en Daad en ZOA rechtstreekse lijnen naar Haïti.
Bid en maak over.
Pourquoi moi?
Ik had eerst nee gezegd, toen een redacteur belde of ik wilde meewerken aan het programma Moraalridders. Ik was immers al bezet. Ik zou dinsdagavond naar de Noorderkerk gaan om met anderen het kerkcafé van 7 februari voor te bereiden.
Het kerkcafé is een nieuwe vorm die we in Zwolle hebben gekozen om met mensen in gesprek te gaan over het christelijk geloof. We hadden eerst zondagsavonds onze ontmoetingsdiensten. Maar die zijn in de loop der jaren zo uitbundig en zo vol geworden dat de voor mij en anderen hartverwarmende sfeer, voor iemand, die nooit in de kerk is geweest, juist een drempel zou kunnen zijn. Het is nu rustiger van sfeer. We zitten in een andere opstelling. Er wordt elke keer een onderwerp behandeld. Er kunnen vragen worden gesteld.
Het onderwerp van die zondagavond zal ‘God de Schepper’ zijn. Zeker na alle discussie van vorig jaar geen saai onderwerp.
Daarom zei ik tegen de redacteur nee. Maar een half uur later haalde Andries mij toch over. Hij vond dat ik het toch moest doen. Ik zou om allerlei redenen vanavond er wel moeten zijn: om te praten met Andries en Tijs over de ramp in Haiti en het christelijk geloof. Ik ben er van overtuigd, dat er in Nederland veel meer dominees zijn die over dat moeilijke onderwerp hebben nagedacht en wellicht zondag jl. al hebben gepreekt. Ze kunnen misschien zelfs wel mooiere antwoorden geven.
Waarom ben ik dan toch gegaan?
Omdat Andries gelijk had, toen hij o.a. zei dat ik immers ook zelf nog maar kort geleden met nogal wat tegenslagen te maken heb gehad. Het vraagstuk van de betrokkenheid van God bij rampen, tegenslagen is voor mij geen onderwerp meer, dat ik eens in de zoveel tijd moet bespreken. Het is dagelijkse realiteit. Maandag had ik een gesprek met o.a. vier vrouwen, die allemaal kanker gehad hebben of nog midden met de zoveelste behandeling bezig zijn. Het zou raar zijn als ik zou antwoorden, dat ik over dat onderwerp niet had nagedacht. Het is geen onderwerp. Het is het leven.
Dus beloofde ik te komen. Ik moest eerst naar Oud-Beijerland, dan weer naar Zwolle, maar Ees zou me ‘s avonds wel naar Hilversum kunnen brengen. Zo dacht ik om tien uur. Een half uur later werd het weer anders. Opnieuw ging in de auto de telefoon. Het was Ees, die mij vroeg of ik naar een familie wilde bellen. Er was een ernstig ongeluk gebeurd. Een man was verongelukt. En de (schippers)familie vroeg of ik wilde komen.
Dinsdagavond naar een studio met twee journalisten, maar daarvoor naar een huis in diepe rouw. Een losspringende kabel was tegen het hoofd van de schipper geslagen. Jan van der Berg was plotseling gestorven, nog maar 61 jaar.
Hoe anders was het in die huiskamer dan ‘s avonds in de studio. In de huiskamer werden geen vragen gesteld, in de studio wel. In de huiskamer werd vooral verteld. Hoe het allemaal was gegaan. En helemaal veel gehuild. Er was geen boosheid. Er waren (nog?) geen vragen. Er was diepe rouw.
Natuurlijk ging dat ‘s avonds anders. We maakten immers een tv-programma. Toch heb ik wel even kwijt gekund dat het ook als het gaat om Haïti misschien eerst een tijd mag zijn om eerst te helpen, te luisteren naar de verhalen, en ook om stil te zijn. Ik wees Tijs op de vrienden van Job. Mannen die later ook een spervuur van vragen op de arme Job lieten neerkomen. Toch waren ze eerst zeven dagen stil, omdat ze zagen hoe groot het verdriet was van Job.
De ramp in Haïti is nu zeven dagen geleden gebeurd. Vorige week woensdag hadden we nog niet zoveel tijd om er in de media aandacht aan te besteden. Het vervolg debat met Balkenende ging voor. Rampen kunnen in je eigen leven andere zaken relativeren. Waar je je eerst druk om maakte, kan dan iets heel kleins worden. In Nederland gaat dat niet altijd zo. Gelukkig gaan we deze week met elkaar helpen.
Eerst helpen. Eerst stil zijn. Eerst delen in het verdriet. De ramp van Haïti is niet een ramp van een enkel land. Het is een ramp van ons allen. Het heeft ons allemaal wat te zeggen. Er staat ons allemaal het een en ander te doen. Tegenover mensen en tegenover God.
Ook tegenover God.
Het zijn enorme vragen als je nadenkt over tegenslagen en verdriet. Vragen die vaak later in heftigheid komen en terugkeren. Maar waarom zouden we eerst niet meehuilen, samen verdrietig zijn. Ontroerend vond ik de beelden uit Haïti van een mis die werd opgevoerd op de puinhopen. Van mensen die biddend en zingend uit het puin werden gehaald.
Andries en Tijs lieten me het filmpje weer zien van de vrouw die toen ze uit het puin getrokken werd zong: ‘pourquoi moi.’ ‘Waarom ik?’
Zo zou je kunnen beginnen, als we na alle eerste hulp toch gaan praten, nadenken over ons christelijke geloof en deze enorme ramp. Nadenken over de vraag: waarom zij en ik niet?













